Inspiratie, persoonlijke groei en geluk

Immanuel Kant 1724-1804

Immanuel Kant 1724-1804

Met zijn belangrijkste filosofische werk Kritiek van de zuivere rede (1781) heeft Immanuel Kant een kentering teweeg gebracht in de Westerse filosofie. Hij is daarmee een van de belangrijkste moderne denkers. Hij spreekt zelf met recht van een "wetenschappelijke revolutie".

In het werk van Immanuel Kant zijn twee perioden te onderscheiden: zijn voorkritische periode en zijn kritische periode. In de voorkritische periode is hij van oordeel, dat er een "rationalistische metafysica" mogelijk is.

Dit in navolging van Leibniz en Wolff. In zijn kritische periode neemt hij hier afstand van. Hij maakt daarbij een onderscheid tussen algemene metafysica en speciale metafysica. De eerste kan wel op de rede gegrond zijn omdat zaken die binnen deze algemene metafysica vallen, empirisch te controleren zijn. De uit "zuivere rede", zoals Immanuel Kant het noemt, ontstane ideeën over bvb. causaliteit kunnen empirisch getoetst worden.

Bij de speciale metafysica gaat het om vragen die het tot dan toe eigenlijke doel van de metafysica behelzen, namelijk vragen als: "Is er een god?" of "Kan de onsterfelijkheid van de ziel aangetoond worden?". In de kritische periode neemt Immanuel Kant afstand van de speciale metafysica, omdat deze nooit empirisch te controleren is, en dus nooit geverifieerd kan worden als a priori kennis, vergaard door de "zuivere rede".

De voorkritische periode

In deze periode publiceerde Immanuel Kant een groot aantal boeken en artikelen die alle in het teken stonden van de rationalistische denkwijze van de Verlichting. Metafysica kon een wetenschap zijn, mits zij dezelfde denkmethode hanteerde als de wiskunde. Ook ging hij er toen vanuit dat er een rationalistisch Godsbewijs mogelijk was, zoals hij betoogde in zijn Der einzig mögliche Beweisgrund zu einer Demonstration des Dasein Gottes.

De kritische periode

Deze periode van denken van Kant kenmerkt zich door zijn zoektocht naar de grenzen van de menselijke kennis. De eerste tekenen van zijn kritisch denken zijn volgens de vakfilosofen te vinden in zijn brief aan zijn vriend Marcus Herz (21 feb 1772). Daarna volgde een periode van 10 jaar waarin hij weinig tot niets publiceerde en waarin hij zijn gedachten (zie onderstaand fragment) overdacht en probeerde te systematiseren. Het gaat erom hoe onze voorstellingen op de een of andere manier overeen kunnen komen met "de werkelijkheid". Het voor dit onderwerp relevante fragment van de brief luidde als volgt:

Cquote1.svg ...Ik vroeg me namelijk af op welke grond de betrekking tot het object berust van wat in ons voorstelling heet. Als de voorstelling" alleen de wijze bevat waarop het subject door het object wordt geprikkeld, dan is gemakkelijk te begrijpen hoe die voorstelling als een gevolg met haar oorzaak kan overeenstemmen, en hoe deze bepaling van onze geest iets kan voorstellen, dat wil zeggen een object kan hebben. De passieve of zintuiglijke voorstellingen hebben dus een begrijpelijke betrekking tot objecten, en de grondbeginselen die aan de natuur van onze ziel worden ontleend, hebben een begrijpelijke geldigheid voor alle dingen voor zover die objecten van de zintuiglijkheid zijn. En net zo: als datgene wat in ons voorstelling heet, actief zou zijn ten opzichte van het object, dat wil zeggen als daardoor het object zou worden voortgebracht, zoals men zich de goddelijke kennisinhouden als de oerbeelden van de dingen voorstelt, dan zou eveneens de overeenstemming van de voorstelling met het object begrepen kunnen worden. De mogelijkheid van zowel de intellectus archetypus [het verstand dat oerbeelden bevat], op de aanschouwing waarvan de dingen zelf gebaseerd zijn, als van de intellectus ectypus [het verstand dat kopieën bevat], dat de data voor logische bewerking uit de zintuiglijke aanschouwing van de dingen put, is dus op zijn minst begrijpelijk. Maar ons verstand is door zijn voorstellingen noch de oorzaak van het object (behalve dan in de moraal van de goede doeleinden), noch is het object de oorzaak van de verstandsvoorstellingen (in sensu reali [in reële zin]). De zuivere verstandsbegrippen kunnen dus niet van zintuiglijke gewaarwordingen zijn geabstraheerd, noch ook de zintuiglijke ontvankelijkheid voor voorstellingen uitdrukken, maar moeten hun bronnen hebben in de natuur van de ziel; niet evenwel voor zover ze door het object worden veroorzaakt, of het object zelf voortbrengen. Cquote2.svg

Opvatting over God

De opvatting over het Godsbewijs is als een rode draad in de kritieken van Kant aanwezig. In zijn kritieken betoogt hij dat een Godsbewijs volgens de zuivere rede onmogelijk is. Desondanks bleef hij theïst. Al kan de rede het bestaan van God niet bewijzen door de transcendentale theologie, de moraaltheologie kan in de leemte voorzien. Als die moraaltheologie het bewijs levert van het Godsbestaan, blijkt het Godsbegrip in de rede onmisbaar. De zuivere rede "bepaalt het begrip van de moraaltheologie", aldus Kant.

Een heel gezellig type was Kant niet. Hij was vrijgezel en leefde tamelijk dwangmatig. Reizen deed hij niet en hij hield niet van veranderingen. [MdV 13-08-2011 met dank aan Wikipedia]

Leave a reply

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Dit is een demo-winkel voor testdoeleinden — bestellingen zullen niet worden uitgeleverd. Sluiten